Eerste schop in de grond voor het 'stopcontact langs het spoor'

Een samenwerking tussen ProRail, gemeente Utrecht, Stedin en TenneT

Wat eerder nog een pilot op papier was, wordt nu werkelijkheid. ProRail, gemeente Utrecht, Stedin en TenneT zijn begin juni 2026 gestart met een samenwerking om netcongestie te verminderen op bedrijventerrein Lage Weide. Langs het spoor komt een zogeheten 'flex asset': een installatie die op piekmomenten tijdelijk extra stroom kan leveren aan het openbare elektriciteitsnet.

Voor Energie in het OV is dit geen onbekend project. In een eerder interview met ProRail in april 2026 vertelden techniekstrateeg Liselotte Rijnders Gijsbers en techniekarchitect energie Freek Schermers al over het idee van een 'stopcontact langs het spoor': een manier om bestaande spoorinfrastructuur slimmer te benutten om ruimte op het elektriciteitsnet vrij te spelen. Destijds was het project nog in voorbereiding. Nu zetten de betrokken partijen de volgende stap.

Bestaande infrastructuur beter benutten

De gedachte achter het project is relatief eenvoudig. ProRail beschikt door het hele land over grote aansluitingen op het openbare elektriciteitsnet voor de energievoorziening van het spoor. Die verbindingen worden normaal gesproken gebruikt om elektriciteit af te nemen voor treinen.

Volgens ProRail kunnen die aansluitingen in sommige situaties ook een bredere maatschappelijke rol spelen. Door een extra aansluitpunt aan te brengen tussen het openbare net en een tractiestation ontstaat ruimte om op piekmomenten tijdelijk energie terug te leveren aan het net. In Lage Weide, een bedrijventerrein in Utrecht, wordt hiervoor een installatie geplaatst die door netbeheerder Stedin wordt ingezet om congestie op het elektriciteitsnet te verlichten.

Van technische naar juridische uitdaging

Opvallend genoeg zit de grootste uitdaging volgens de betrokken partijen niet in de techniek. In het eerdere interview door Energie in het OV noemde techniekstrateeg Liselotte Rijnders Gijsbers van ProRail het concept al "technisch relatief eenvoudig, maar organisatorisch en juridisch best complex". Het spoor werkt namelijk met een zogenoemd gesloten distributiesysteem, waarop normaal gesproken alleen spoorpartijen zijn aangesloten. Daardoor past een energie-installatie van een netbeheerder niet vanzelfsprekend binnen de bestaande regels. De betrokken partijen stemmen daardoor nauw af met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) hoe deze constructie binnen de bestaande wet- en regelgeving kan worden ingepast.

Dat maakt het project interessant vanuit een breder perspectief. Als het gaat over het Bestuurlijk Akkoord Netcongestie en OV (BANOV) wordt regelmatig benadrukt dat de grootste uitdagingen niet altijd technisch van aard zijn. Veel oplossingen bestaan al, maar lopen vast op regelgeving, verantwoordelijkheden en bestaande werkwijzen. Het Utrechtse project laat zien hoe partijen proberen die barrières gezamenlijk te doorbreken.

Een beetje grijs voor meer groen?

Wat verder opvalt is dat de Utrechtse oplossing gebruikmaakt van gasgeneratoren. Dat lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig binnen de energietransitie, maar volgens Stedin is dat een bewuste keuze.

Congestie in Utrecht kan soms tientallen uren achter elkaar aanhouden. Batterijen zijn daarvoor op dit moment niet altijd geschikt, omdat zij na verloop van tijd leeg raken. De gasgeneratoren worden slechts op een beperkt aantal momenten ingezet om grotere maatschappelijke problemen op het elektriciteitsnet te voorkomen.

Tegelijkertijd zien de betrokken partijen dit vooral als een eerste stap. Wanneer het concept succesvol blijkt, kunnen op vergelijkbare locaties in de toekomst ook batterijen, zonnepanelen of andere duurzame energiebronnen worden aangesloten.

Van lokale pilot naar landelijk model?

Juist dat maakt het project interessant voor de ov-sector. ProRail beschikt over ongeveer tweehonderd vergelijkbare aansluitingen op het elektriciteitsnet.

In het interview uit april 2026 gaf ProRail al aan dat de ambitie verder reikt dan één locatie. Hoewel het spoor zelf slechts op een beperkt aantal plekken behoefte heeft aan dit soort oplossingen, kan het beschikbaar stellen van bestaande spoorassets mogelijk helpen om andere maatschappelijke opgaven te ondersteunen, zoals woningbouw.

Het project in Utrecht wordt daarmee meer dan een technische proef. Het is ook een praktijkvoorbeeld van een vraag die binnen de sector steeds vaker terugkomt: hoe zorgen we ervoor dat succesvolle innovaties niet in de pilotfase blijven hangen, maar daadwerkelijk onderdeel worden van het energiesysteem?

Dat raakt aan een bredere discussie binnen het Bestuurlijk Akkoord Netcongestie en OV, dat nu een jaar loopt. Na een eerder seminar, waar Energie in het OV verslag van deed, stelde Dirk-Jan de Bruijn, voorzitter van de Rijks Innovatie Community, dat de grootste uitdaging niet in de techniek zit, maar in het opschalen van innovaties en het organiseren van samenwerking tussen partijen, zoals de spoorsector, netbeheerders, overheden en toezichthouders.

Het Utrechtse project laat zien hoe zo'n volgende stap eruit kan zien. Waar het concept eerder nog op de tekentafel lag, wordt het nu daadwerkelijk toegepast in de praktijk. Daarmee wordt niet alleen getest of de techniek werkt, maar ook of bestaande regels, rollen en verantwoordelijkheden voldoende ruimte bieden om dit soort oplossingen breder in te zetten.

Ook interessant

Bekijk alles