Netcongestie als bottleneck: 10 jaar Bestuursakkoord Zero Emissie Busvervoer

Tien jaar geleden, op 15 april 2016, werd het Bestuursakkoord Zero Emissie Busvervoer (BAZEB) gesloten door provincies, vervoerregio’s en het Rijk. De ambitie was helder: alleen nog schone, stille bussen in het ov. Nieuwe bussen moesten vanaf 2025 emissievrij zijn, en in 2030 zou de volledige vloot volgen (dus ook alle oudere bussen). Waar staan we nu? En wat leert tien jaar uitvoering over de haalbaarheid van die doelen?

De afspraken uit 2016 sluiten aan bij bredere klimaatdoelen: in 2030 moet Nederland 49 procent minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Het verduurzamen van mobiliteit, en specifiek het openbaar vervoer, wordt daarin gezien als een belangrijke pijler.

De uitgangspositie was duidelijk: in 2016 was slechts 1 procent van de ov-bussen uitstootvrij (61 bussen in totaal). Tegelijkertijd reed het spoor al vrijwel volledig op groene stroom. De grootste winst lag dus bij het busvervoer.

Het bestuursakkoord legde de basis: vanaf 2025 alleen nog instroom van zero-emissiebussen (elektrisch of waterstof) en uiterlijk in 2030 een volledig emissievrije vloot. Daarnaast werden bredere doelen geformuleerd, zoals CO₂-neutraal ov en spoor in 2050 en een energie-efficiëntieverbetering van 40 procent.

Het akkoord werd door het IPO, de Vervoerregio Amsterdam, de Metropoolregio Rotterdam en Den Haag en het ministerie van IenW ondertekend en kende een looptijd tot 2025. Naast de ondertekenaars werken uiteindelijk ook samenwerkingsverband DOVA (decentrale ov-autoriteiten), kennisplatform CROW-KpVV en ELaadNL mee.

De weg naar 2025 en 2030: een tussenanalyse

In 2020, halverwege de looptijd, leek de transitie in een stroomversnelling te komen. Uit de Roadmap naar 2030 blijkt dat ruim 770 van de 5.236 ov-bussen toen al uitstootvrij waren. Nog opvallender: circa 96 procent van de nieuwe instroom bestond al uit zero-emissiebussen (waterstofbussen of elektrische bussen). Daarmee was de doelstelling voor 2025 feitelijk al binnen bereik. Toch werd gezien dat het omzetten van de gehele vloot in uiterlijk 2030 een grotere en complexere opgave is, zowel financieel als operationeel.

In hetzelfde jaar werd in een rapport van Platform Duurzaam Openbaar Vervoer en Spoor Projectgroep Energievoorziening PDOVS een ander, fundamenteel vraagstuk in kaart gebracht: de energievraag. Toen al werd gezien dat de elektriciteitsvraag van het ov en spoor - zelfs met efficiënter rijden - richting 2050 mogelijk kan verdubbelen, juist door elektrificatie.

Die ontwikkeling werd vooral toegeschreven aan de groei van zero-emissiebussen. Het spoor zelf reed toen al voor circa 98 procent op groene stroom (via Garanties van Oorsprong), al traden er in ongeveer 40 procent van de uren tekorten op, waarbij aanvullend grijze stroom ingezet werd.

Netcongestie als knelpunt

Hetzelfde rapport benoemde in 2020 al expliciet een risico dat nu centraal staat: netcongestie. “Schaarste van netcapaciteit treft ook ov en spoor.” Ook zegt het: “Netbeheerders willen eerder betrokken worden, er zijn aanbieders van laadinfra die een rol vragen, overheden willen ook aandacht voor lokale energieopwekking, en energieproducten zien kansen voor directe levering aan ov en spoor.”

Netcongestiemanagement en herverdeling van beschikbare capaciteit werden onder meer als oplossingsrichtingen genoemd. En ook werd genoemd dat pieken voorspeld kunnen worden en dat uitgesteld laden deze helpt af te vlakken. Opvallend is dat dit vraagstuk destijds al scherp op tafel lag, maar nu pas echt als beperkende factor wordt ervaren.

2026: snelle groei, nieuwe uitdagingen

Tien jaar na het bestuursakkoord is de voortgang duidelijk zichtbaar. In 2026 rijden er volgens kennisplatform CROW 2.867 zero-emissiebussen rond, goed voor 58 procent van de totale vloot. Nederland zit daarmee over de helft van het einddoel.

Die groei kwam niet vanzelf. De overstap van 1 naar 100 procent elektrisch vervoer vraagt om forse investeringen, ziet het kennisplatform Zero-emissiebus. Elektrische bussen zijn duurder in aanschaf en hebben door hun batterijcapaciteit een beperkter bereik. Dat is en blijft ook in 2026 een hobbel volgens Michael de Ruiter van ov-bedrijf Transdev. Zo zegt hij tegen het kennisplatform dat er meer bussen nodig zijn om dezelfde dienstregeling te rijden.

Daarmee verschuift de uitdaging: van techniek naar planning. Laadlocaties, stallingen en inzet van materieel worden bepalender voor de haalbaarheid van de dienstregeling.

Daarnaast zijn er duidelijke regionale verschillen. Volgens kennisplatform CROW lopen de provincies Overijssel (87 procent), Vervoerregio Amsterdam (83 procent) en provincie Noord-Holland (74 procent) voorop in het aandeel zero-emissiebussen op het totaal aantal bussen. In provincie Zeeland ligt het aandeel op 0 procent en in Friesland op 8 procent. Vanaf december 2026 neemt vervoerder EBS het busvervoer in Zeeland over van Connexxion. EBS zal vanaf 2027 met 73 nieuwe elektrische bussen door de provincie gaan rijden. 

Netcongestie als nieuwe bottleneck

Ondanks dat Nederland over de helft van het einddoel, is er nog een flinke eindsprint nodig voor het behalen van de doelstellingen voor 2030. Waar de eerste jaren draaiden om technologie en opschaling, verschuift nu de aandacht volgens kennisplatform Zero-emissiebus naar het elektricteitsnet. De vraag is daarom niet alleen hoeveel bussen er bijkomen, maar vooral: is er ruimte op het net om ze te laten rijden? Het laat zien dat de vragen van het bestuursakkoord uit 2016 niet allemaal binnen de invloedssfeer van ov-autoriteiten liggen, maar ook bij netbeheerders, energieproducenten en in wetgeving.

Tegelijkertijd is het opvallend dat dit geen nieuw probleem is. Al in 2020 werd gewaarschuwd dat de elektrificatie van het ov zou leiden tot een sterk toenemende energievraag en druk op het elektriciteitsnet, met mogelijk congestie tot gevolg. Wat toen een toekomstig risico was, manifesteert zich nu als concreet knelpunt.

De belangrijkste les na tien jaar

Tien jaar na het bestuursakkoord is de conclusie tweeledig. De sector heeft laten zien dat snelle elektrificatie mogelijk is: van 1 procent naar 58 procent uitstootvrije bussen in een decennium is uitzonderlijk.

Maar juist dat succes legt een nieuwe grens bloot. Niet de bus zelf, maar de beschikbaarheid van energie-infrastructuur bepaalt steeds vaker het tempo van de verduurzaming. De transitie naar zero-emissie blijkt niet alleen een technologische opgave, maar vooral een systeemvraagstuk; een terugkerende opmerking over het netcongestie-vraagstuk binnen het ov.

Foto: RET, Rick Keus

Ook interessant

Bekijk alles